NOVEMBER di. 2 Lucas 18:18-30 Rijkdom wo. 3 Lucas 18:31-43 Kom dat zien! do. 4 Lucas 19:1-10 Groot in het koninkrijk van God vr. 5 Lucas 19:11-28 Gebruik wat je hebt za. 6 Lucas 19:29-40 Koningsdag zo. 7 Lucas 19:41-48 Wat brengt vrede? ma. 8 Brief van Jeremia 1-14 Ga niet voor goud ... of Psalm 115 Di. 9 Brief van Jeremia 15-28 Maak niet je eigen goden of Jesaja 44:9-20 wo. 10 Brief van Jeremia 29-39 No idols of Habakuk 2:18-20 Handelingen 19:23-40 do. 11 Brief van Jeremia 40-51 Weet wie God is of Jeremia 16:19-21 vr. 12 Brief van Jeremia 52-64 Niet mensen maken God, of Handelingen 17:22-34 maar God maakte de mensen za. 13 Brief van Jeremia 65-72 De H of Psalm 97 zo. 14 Lucas 20:27-40 Woorden van eeuwig leven ma. 15 Lucas 20:41-21:4 Major donor di. 16 Haggai 1:1-15 Bouwbeleid wo. 17 Haggai 2:1-9 Zeg niet: vroeger was alles beter do. 18 Haggai 2:10-23 Als je zoveel ellende ziet, waarom kom je dan niet bij God? vr. 19 Psalm 44 Wat merk je van Gods trouw? za. 20 Kolossenzen 1:1-11 Kolossaal! zo. 21 Kolossenzen 1:12-23 Dank aan de Schepper ma. 22 Kolossenzen 1:24-2:5 Blijmoedig lijden di. 23 Kolossenzen 2:6-15 Sterven en leven wo. 24 Kolossenzen 2:16-3:4 Eet en drink, want morgen leven we do. 25 Lucas 21:5-19 Blij vooruitzicht? vr. 26 Lucas 21:20-28 Hij komt! za. 27 Lucas 21:29-38 Wees bij de tijd zo. 28 Jesaja 5:1-7 De druiven zijn zuur ma. 29 Jesaja 5:8-24 Het recht zal zijn loop hebben di. 30 Jesaja 5:25-30 Dreiging
ma. 1 Daniƫl 12:1-13 Het komt goed!
eer is de Allerhoogste
